(Lichtspot op een tandartsstoel. Een viool kreunt zacht op de achtergrond.)
Verteller (quasi plechtig):
Er was eens een man van zevenenvijftig,
Met een glimlach van vijfentwintig,
En verstandskiezen van… tja, van iemand die dacht:
“Waarom zou ik eruit, ik zit hier prima vast!”
Hij poetste, spoelde, lachte breed,
Zijn tanden waren als een wit orkest,
Maar diep achterin, in de schaduw van het gebit,
Lagen twee wijsneuzen te morren:
“Wij zijn de laatste der jeugd!”
(Tandartsstem, met rubberen handschoenaccent:)
“Open maar even, meneer — dit wordt een kleine revolutie.”
(SFX: Boor start. Licht flikkert. De viool verandert in een circuswals.)
Verteller (theatraal):
En daar gingen ze dan,
De twee laatste monumenten van zijn puberteit,
Uittandeld, uitgegroeid, uitgepraat —
Weggespoeld in een plastic bekertje vol met verleden tijd.
(Zacht, melancholisch)
Hij hield zijn kaak vast en dacht:
“Was dit het dan? Is dit het teken
Dat de eeuwige jeugd mijn mond heeft verlaten?”
(Licht pauze. Dan grijnzend:)
Maar nee hoor!
Want de tandarts zei:
“Gefeliciteerd, u bent nu volwassen.”
En hij dacht: “Verdorie, dat had ik beter dertig jaar geleden kunnen laten doen!”
(Slotcouplet – half gezongen, half gesproken)
Oh verstandskies, jij koppige vriend,
Jij die dacht dat je het beter wist,
Je hield me jong, je hield me vast,
Tot ik zei: “Trek maar, het is mooi geweest.”
Moraal van het verhaal:
Wie te lang aan zijn verstand vasthoudt,
krijgt vroeg of laat kiespijn. 😁
(Spot uit. Publiek lacht, dan zacht applaus. Een eenzame tand glimt in de prullenbak.)



















